
Melanija
Speervechtster, strijder van de tweede linie
- Leeftijd
- 39 jaar
- Afkomst
- Peresopnytsja in Wolynië
- Stand
- Vrij mens, dochter van een welgestelde ambachtsman
In het kort
Zwaarbewapende speervechtster die vertrouwt op trefzekerheid en de juiste positie. Met de speer beheerst ze de tweede linie en raakt ze meerdere vijanden met één stoot, en met de francisca bereikt ze een doel zonder een gunstige plek op te geven. Maar door het zware pantser is een slechte positie verbeteren traag en uitputtend.
Geschiedenis
Van de plek waar Melanija stond tot de werkplaats van haar vader in Peresopnytsja was het twintig passen. Tot de binnenplaats van de stadswacht aan de overkant evenveel. Ze ging niet naar huis.
In de werkplaats herstelden ze wagens, landbouwgereedschap, paardentuig en eenvoudige wapens voor de wacht. De familie hoorde niet bij de rijkste burgers van Wolynië, maar leefde zonder zorgen en kon voor groot werk mensen inhuren. Haar vader had twee zonen en geen enkele reden om anders over zijn dochter te denken dan iedereen over dochters dacht.
Melanija bracht de herstelde uitrusting naar de binnenplaats van de wacht, kende de meeste wachters bij naam en kon urenlang toekijken hoe ze oefenden. Al als jong meisje begon ze te vragen of ze mee mocht oefenen. Eerst hield men het voor een spelletje. Als ze haar zeiden dat de speer te zwaar was, kwam ze de volgende dag terug. Als ze haar uitlegden dat ze de schacht verkeerd vasthield, prentte ze het zich in en probeerde het opnieuw.
Uiteindelijk begon Oelyta, een van de oudere wachters, haar serieus les te geven. Over de kracht van een stoot sprak ze bijna niet. In plaats daarvan liet ze Melanija kijken naar de voeten van de tegenstander, naar de afstand tussen mensen en naar de vrije ruimte om hen heen. Een goede speervechter, herhaalde Oelyta, begint het gevecht al vóór de eerste stoot: je moet weten waar de vijand heen kan stappen, wie er achter hem staat, wie hem van opzij dekt en waar je zelf na de stoot terechtkomt.
Juist dat ging haar het best af — en juist daar telde kracht het minst. Melanija had een goed gevoel voor afstand, zag snel fouten in hoe mensen stonden opgesteld en leerde wachten. Eén korte stoot op het juiste moment beviel haar altijd beter dan een lange uitwisseling van slagen.
Haar eerste echte gevecht zag ze op haar twintigste. Tijdens een grote jaarmarkt probeerde een kleine troep rovers de stad binnen te breken; een deel van de wacht was buiten de muren, dus ging iedereen die een wapen kon vasthouden bij de poort staan. Melanija ook. Het treffen duurde niet lang en van afzonderlijke slagen herinnerde ze zich bijna niets — maar ze herinnerde zich goed degene naast haar, die steeds een halve pas terug probeerde te wijken en daardoor alle anderen hinderde. Na die dag keerde Melanija niet meer terug naar het leven dat haar vader voor haar had bedacht.
Daarna kwam de wacht, toen kleine troepen buiten de muren, wegen, kooplieden, andere bevelhebbers, andere mensen. In bijna twintig jaar onder de wapenen was ze stadswacht geweest, huurling, karavaanwacht en gewoon een van de schilden in andermans slagorde. De schermutselingen telt ze allang niet meer. In de landen van Kyiv kwam Melanija als volwassen vrouw, in andermans dienst, en ze werd er nooit een van hen: ze spreekt nog altijd anders dan men hier spreekt, en hoort dat elke keer als ze haar mond opendoet.
In diezelfde jaren begreep Melanija ook wat ze niet kon. Lange tochten buiten de wegen liggen haar niet, sporen kan ze nauwelijks lezen, in het bos vindt ze onzeker haar weg en van jagen weet ze niets. Haar element begint waar de vijand al te zien is.
De speer bleef haar hoofdwapen, omdat hij gaf wat ze het meest waardeert: de mogelijkheid om niet alleen invloed te hebben op wie voor haar staat, maar ook op de ruimte daaromheen. Wanordelijke gevechten, waarin ieder een tegenstander kiest en de anderen vergeet, kan Melanija niet uitstaan. Ze let erop waar haar makkers staan, waar een gat is ontstaan en wie de vijand met zijn eigen lijf hindert. Als ze met één stoot twee man tegelijk in moeilijkheden kan brengen, is dat voor haar een betere slag dan de hardste slag op één.
Met de jaren werd haar stijl nog ingetogener. Ze probeert een slechte positie minder vaak met beweging te herstellen en denkt vaker na over hoe ze er helemaal niet in terechtkomt.
De werpbijlen kwamen laat. In een van de huurtroepen diende Melanija een paar maanden naast lieden uit de westelijke landen, die aan hun gordel een korte bijl droegen met een smal, uitwaaierend blad — een francisca. Het wapen kwam niet van hier: het werd aangevoerd langs dezelfde wegen waarlangs laken en zout naar Wolynië gingen, en de smeden hier begonnen er met tegenzin aan, want de vorm moet precies kloppen, anders vliegt de bijl alle kanten op. Eerst vond Melanija het een onbetrouwbaar speeltje — tot er op een dag met zo’n worp een tegenstander werd gestopt die al bijna uit het gevecht was losgebroken. Haar eerste francisca ruilde ze bij diezelfde lieden voordat de troep verder naar het zuiden trok, en ze begon zelf te oefenen.
Een aparte specialiteit werd het werpwapen voor haar nooit. Melanija wedijvert niet met boogschutters en verspilt geen bijl aan een tegenstander alleen omdat die ver weg is. Ze werpt als de vijand een paar passen is teruggeweken, als hij met de speer lastig te bereiken is of als een gewonde moet worden afgemaakt zonder een goede plek op te geven.
Aan zwaar pantser is ze al lang gewend, en ze ziet het niet als teken van lafheid of lompheid. Voor Melanija is pantser nog een onderdeel van een goed gekozen positie: wie besluit te blijven staan, moet bereid zijn te verdragen wat er terugkomt.
Een paar jaar geleden sloot ze zich aan bij een kleine troep onder bevel van een gevolgsman die Boryvoj heette. Ze was toen al doorgewinterd en bewonderde bevelhebbers zelden; Boryvoj werd de uitzondering. Hij hield niet van onnodig risico, begon geen treffen zonder noodzaak en dacht bijna altijd al vóór het gevecht na over de aftocht. Hij legde zijn besluiten uit en eiste van zijn mensen niets wat hij zelf niet bereid was te doen.
Juist daarom herinnert ze zich wat er daarna gebeurde bijzonder goed. De troep kreeg bevel de oversteek te houden tot de hoofdmacht er was. De vijand bleek veel talrijker dan verwacht; Boryvoj begreep snel dat de oversteek niet te houden was en gaf bevel terug te trekken. Achter de oversteek lag een kleine nederzetting.
Melanija weigerde te gaan. Met een paar anderen bleef ze achter om de aanvallers op te houden terwijl de bewoners naar het bos vluchtten. Ze wonnen genoeg tijd. Twee van degenen die bij haar waren gebleven, sneuvelden.
Boryvoj noemde haar besluit zinloze ongehoorzaamheid. Melanija antwoordde dat zijn bevel uit krijgsoogpunt juist was geweest en uit menselijk oogpunt onaanvaardbaar. Samen dienden ze niet meer.
Sindsdien staat ze wantrouwig tegenover bevelhebbers die te gemakkelijk over noodzakelijke verliezen praten. Een tegenstander van discipline maakte het haar niet — integendeel, in het gevecht is Melanija gedisciplineerder dan de meesten. Is er een afgesproken plan, dan houdt ze haar plaats en verwacht ze hetzelfde van anderen.
Juist daarom ergerde Dzvenyslava haar lange tijd meer dan wie ook. Waar Melanija een vastgestelde positie ziet, ziet Dzvenyslava een plek die een ogenblik geleden de beste was. Waar Melanija een makker naast zich verwacht, gaat Dzvenyslava al aan de andere kant om de vijand heen. Voor Melanija is dat het plan breken. Voor Dzvenyslava is het het plan voortzetten. Na verloop van tijd merkte Melanija dat Dzvenyslava vrijwel nooit zonder reden van positie verandert. Minder ergerlijk werd het daardoor niet, maar het dwong haar langzaamaan een onaangename gedachte te aanvaarden: soms betekent iemand vertrouwen dat je diegene iets anders laat doen dan wat er was afgesproken.
Met Hlib ging het slechter, want daar bleek ze op een andere manier ongelijk te hebben. Ze overwinterden in dezelfde troep, en Melanija zette hem meteen op één lijn met de mensen die hun besluiten verklaren met een bevel. Hlib verklaarde ze inderdaad zo. Alleen had hij daarbij wel de dienst verlaten, en zij niet: zij had Boryvoj van repliek gediend en was daarna gewoon blijven vechten onder anderen van precies hetzelfde slag. Dat zei Melanija in die woordenwisseling niet, en daar heeft ze nog altijd spijt van.
In het dagelijks leven is ze kalm en gezellig in de omgang, zit ze graag met anderen bij het vuur, raakt ze makkelijk in gesprek en verbergt ze haar verleden niet. Van haar vader heeft ze genoeg handwerk meegekregen om nuttig te zijn in het kamp: een kling slijpen, een riem vervangen, een losgeraakte schacht verstevigen, het houtwerk van een wagen herstellen of snel vaststellen wat er precies kapot is. Haar eigen spullen slingeren intussen vaak overal rond. Haar wapens nooit.
Ze kan slecht tegen mensen die veel praten over wat ze zelf nooit hebben gedaan, en verliest snel haar respect voor bevelhebbers die lichter omgaan met andermans risico dan met hun eigen.
Al vóór haar dienst onder Boryvoj trok Melanija een paar weken op naast de troep van Mstyslav. Die liet zijn zoon een paar keer een kleine voorhoede leiden — vaak genoeg om Ljoetobor zich een bevelhebber te doen voelen, maar niet zo vaak dat zijn vader hem echte verantwoordelijkheid toekende. Al toen had hij dezelfde gewoonte om eerder vooraan te staan dan de mensen die hij meevoerde. Eerst had Melanija daar respect voor.
Later begon iets anders haar te verontrusten. Een bevelhebber zet andermans leven niet alleen op het spel als hij achterblijft. Soms is het genoeg om zelf de eerste stap te zetten — de mensen volgen al omdat hij hem heeft gezet. Ljoetobor is bijna altijd bereid als eerste te betalen voor zijn eigen besluit, maar Melanija weet niet zeker of het besluit zelf daardoor beter wordt.
Tegen Ljoetobor heeft ze dat nooit gezegd. Telkens als ze zulke moed onverantwoordelijk wilde noemen, dacht ze aan haar eigen besluit bij de oversteek — en zweeg ze.
Vorig jaar kwam een jongere strijder in een smalle straat vast te zitten tegenover twee ruiters, en Melanija ging naar hem toe, hoewel ze vanaf de eerste stap zag dat ze niet op tijd zou zijn. Iemand greep haar bij de riem en trok haar terug. Ze bedankte niet en sputterde niet tegen — ze bleef alleen de rest van de dag een halve pas dichter bij hem dan het plan voorschreef.
De twee die bij haar aan de oversteek waren gebleven, heetten Hordjata en Vysjata. Melanija is er nog steeds van overtuigd dat blijven juist was, en weet nog altijd niet of zij gebleven zouden zijn als zij niet als eerste was gebleven. De namen spreekt ze niet hardop uit. Hardop vraagt er ook niemand naar.